Tante Hennie

De telefoon gaat over en ‘mevrouw van den Ham’ neemt op.
Ik noem mijn naam en ze weet waar ik voor bel.
‘Dag Heidie, meisje. Vertel, wat wil je weten?’
‘Dag tante Hennie.’
En ik vertel haar.
Hoe het verhaal van haar vader Gerrit in onze familie vaak verteld werd. Hij werd meegenomen tijdens de razzia in Putten in 1944. Gerrit kwam niet meer terug. Het verhaal werd ‘droog’ verteld, feitelijk zonder emotie. Over de impact van het verhaal sprak niemand. Mijn opa Cil was de broer van Gerrit. De eerste zoon die geboren werd na de oorlog was mijn vader en die werd vernoemd. Natuurlijk.
Als kind bladerde ik door het herdenkingsboek van razzia in 1944 en dan zocht ik zijn foto op. Gerrit van den Brink. Hij was één van de honderden mannen die van de ene op de andere dag verdwenen waren, opgelost uit het dagelijks leven om nooit meer terug te komen.
Het besef van het grote onrecht daalt naarmate ik ouder word steeds meer in. Het onrecht dat al die mannen is aangedaan, de hardvochtige dood die zij stierven. In het gezin van Gerrit groeiden drie en later vier kinderen zonder vader op. Het was ‘normaal’ in Putten. Zo veel families hadden verlies geleden. Niet klagen (er was altijd een familie aan te wijzen die het nog slechter had) maar dragen en god om hulp vragen (tegeltjeswijsheid uit mijn grootouderlijk huis).
Uit een gezin van negen kinderen werd ‘alleen’ de oudste meegenomen. Was er schaamte of een schuldgevoel over bij de anderen? Zij leefden nog.
Er werd weinig over gesproken. Het was nu eenmaal zo.
‘Kind vertel me eens. Wat is je meisjesnaam?’
‘Mijn naam is van den Brink tante, net als het uwe.’
‘Maar je bent toch wel getrouwd?’
‘Ja ik ben getrouwd, maar ik heb mijn eigen naam gehouden.’
‘Ja dat kan tegenwoordig. Kon dat ook maar in mijn tijd. Ik had dat ook zeker gedaan.’
De energie van Tante Hennie, die herken ik al door de telefoon. Ik sla er direct op aan. Ik verbind me vanaf het eerste moment aan de nicht van mijn vader.
Tachtig jaar is ze en ik noem haar tante Hennie omdat ze mij geïntroduceerd is door haar volle neef (mijn achterneef). Ik voel me vrij om haar ook tante te noemen. Ze spreekt direct en vrij. Ze heeft een mening, gefundeerd, en steekt deze niet onder stoelen of banken. En passant noemt ze dat ze haar hele leven heeft gewerkt, ondanks haar huwelijk en haar kinderen. In die tijd, en zeker in Putten, was dat verre van gewoon. Haar moeder voedde haar geëmancipeerd op. ‘Niet afhankelijk worden van een man Hennie, altijd je eigen geld kunnen verdienen zei ze altijd. Je ziet het nu nog hoor, in de bijstand. Het zijn veel vrouwen met kinderen en niet de juiste opleiding. Doodzonde.’
Zij was één jaar toen haar vader werd meegenomen. Haar broertje zat nog maar net in de buik van hun moeder toen hun vader werd meegenomen. Hennie noemt haar broer een slachtoffer. Ze benoemt zichzelf niet zo. Haar broer lijdt in haar woorden aan inter-generationeel trauma. De stress en het verdriet dat hun moeder heeft ervaren in de tijd na de razzia en tot de bevrijding heeft een grote weerslag op hem gehad. Na de bevrijding duurde het tot half augustus voor de familie te horen kreeg dat hun vader niet thuis zou komen. Net als de meeste Puttense vaders, broers, zoons, mannen had ook Gerrit het kamp niet overleefd. Hun moeder stond er alleen voor. Vier kinderen. Een melkzaak. Een huis.
Ik wil in dit verhaal duiken. In het verhaal van Gerrit maar ook van zijn broers. Ik wil mijn eigen geschiedenis beter snappen om mezelf ook beter te snappen. Om even weer dicht bij mijn vader te zijn. Maar bovenal wil ik het verhaal vertellen van deze knappe man, die er niet alleen uitzag als James Dean maar die ook zijn tijd ver vooruit was