Vandaag is het precies acht jaar geleden dat mijn vader plotseling stierf. Na een feestje zette hij mij op de laatste trein naar huis. We zwaaiden tot we elkaar niet meer konden zien. Toen ik thuiskwam, leefde hij niet meer.
Voor hem is dit een scenario waar hij op voorhand voor getekend zou hebben: na een feest ongemoeid sterven. Hij zou het ‘een zegen’ hebben genoemd dat het ingewikkelde deel van ouder worden hem bespaard was gebleven. Hij heeft maar weinig belemmeringen ervaren van een afnemende gezondheid. Hij deed gewoon alsof het er niet was en hanteerde de strategie ‘kop in het zand’. Hij heeft zich nooit hoeven overgeven aan anderen, zoals zorgverleners, familie en buren, om te krijgen wat hij nodig had. Hij zou er ook niet goed in zijn geweest.
Voor hem was het genadig, voor ons was dat het niet. Het zonder woorden afscheid nemen, is me zwaar gevallen. Ik mis hem niet speciaal op zijn verjaar- of sterfdag maar juist op onverhoede momenten. Wanneer één van mijn kinderen een mooi doelpunt maakt. Wanneer de auto een raar geluid maakt. Wanneer ik een moddervet verhaal vertel en hij dan zou hebben gezegd ‘Heidie, vertel nog eens’. Omdat hij snapte dat luidruchtig en driftig zijn niet altijd goed controleerbaar is. Ik voel ook dat ik mijn vader wel wat beter had willen kennen. Misschien dat dat me nu, in deze levensfase, gelukt zou zijn.